Mooie start, maar meeldauw en fusarium liggen op de loer
Na de warmte van mei en de neerslag van juni staan de zaaiuien er over het algemeen prima bij. Met uienexpert Cees Allaart bespreken we de actualiteit en de aandachtspunten voor de komende periode. Want aandachtspunten zijn er natuurlijk altijd.
“Ik ben net terug van vakantie en het valt me op hoe mooi de uien er bij staan”, opent Cees Allaart het gesprek. “Ik heb al wel wat collega’s gesproken en die beamen dat ook. Er zijn incidenteel wel wat problemen geweest met de bonenvlieg maar die lijken zich te beperken tot enkele gevallen in Flevoland, West-Brabant en op de Noordelijke klei. Dat is natuurlijk pech voor wie het betreft maar er is zeker geen sprake van structurele problemen.”
Hetzelfde geldt in zeker zin voor de trips. Allaart: “Ik hoor wel van collega’s dat ze al gezien zijn maar voor nu is het genoeg om de telers er op te attenderen. Vanwege de zeer beperkte middelenkeuze adviseer ik wel om de uien regelmatig en nauwkeurig te inspecteren en eventuele bespuitingen uit te voeren op het juiste moment – meestal is dat ’s avonds of vroeg in de ochtend - en met voldoende water. Want het weinige dat nog kan, moet wel effectief zijn.”
Eén van de beste manieren om uien te ‘wapenen’ tegen trips is een gewas dat ongestoord groeit. Vocht speelt daarbij een cruciale rol, stelt Allaart. “De neerslag van de afgelopen tijd was niet altijd mooi verdeeld. De Achterhoek kreeg met rond de 90 mm in juni bijna drie keer zo veel als de kop van Noord-Holland en delen van Zeeland en West-Brabant waar de teller bleef steken rond de 30 mm. In die gebieden kan het raadzaam zijn om, indien mogelijk, de haspel maar vast klaar te zetten.”
Meeldauw en fusarium
Voor de valse meeldauw is zoetjesaan de tijd van actie aangebroken, vervolgt de Syngenta-adviseur. “Veel zaaiuien hebben inmiddels 4 pijpjes en dat is het gewasstadium waarin meestal de eerste meeldauwbespuiting wordt uitgevoerd. Vanwege de hoge RV in het gewas na de neerslag en de stijgende temperaturen zal de schimmel de komende tijd wel actiever worden. Dus hou je schema gesloten en blijf goed opletten. Want in plantuien zijn al aantastingen gezien.”
Langs de weg en van collega’s hoort Allaart dat er veel gesproken wordt over fusarium. De primaire bron van fusarium is toch vooral de bodem, stelt Allaart. “De schimmel zit op heel veel percelen in de grond, dat is algemeen bekend. Je kunt je grond er tegenwoordig ook op laten toetsen bij HLB de Groene Vlieg. Er zijn al gevallen bekend van telers die stoppen met de uienteelt vanwege fusarium. Als je de risico’s van fusarium wilt beperken kom je toch vooral uit bij een lagere teeltfrequentie, perceelskeuze en maatregelen voor bodemverbetering.”
Bewaarproblemen
Allaart slaat een bruggetje naar problemen in de bewaring die hij afgelopen winter is tegengekomen. “Wij waren bij een partij die bovenin wel 15% rot liet zien. We hebben een monster naar het laboratorium gestuurd maar daar kwam geen eenduidige oorzaak uit. Ook geen fusarium dus. Maar toen we gingen graven bleek dat de partij een halve meter diep prima in orde was, met maar minimaal rot. Dan ga je al snel denken aan factoren in de bewaring, zoals klimaat en luchtverdeling. Ik hoor ook vanuit de praktijk dat in sommige bewaarschuren condensvorming kan optreden. In zulke omstandigheden kunnen latente schimmelaantastingen alsnog zichtbaar worden. Wie dit herkent, doet er goed aan om richting de zomer de inrichting en het functioneren van de bewaarplaats eens goed onder de loep te nemen.”